Onze dochter voordat ze werd teruggeplaatst in mijn buik

imageHet is en blijft raar. Iedere keer wanneer ik haar mooie kamertje met steigerhouten wand en Scandinavische tinten binnenloop, kijk ik onbewust naar haar eerste foto. Al moet ik eerlijk bekennen dat het in de verste verte niets weg heeft van hoe mijn kleine Mila er nu uitziet. Het is de foto die gemaakt is vijf dagen nadat Mila is ontstaan in een Belgisch lab, in UZ Gent. Met het blote oog konden wij haar nog niet zien, maar de artsen legden dit beeld van ruim honderd cellen vast voordat ze werd teruggeplaatst in mijn buik. Ik neem je nog even mee terug naar dat moment. Hieronder volgt een fragment uit het boek Spuiten & Snikken.

woensdag 22 mei 2013
De dag van de waarheid. De dag waarop het misschien wel stopt. Of de dag die ons geschiedenisboek ingaat als de dag waarop we eindelijk goede embryo’s hadden, die zelfs uitverkoren zijn om zich door te ontwikkelen tot cryo. Ik ben op van de zenuwen. Ik praat aan een stuk, een woordenbrij die totaal geen verband houdt met elkaar, Jan doet alsof hij luistert maar verkeert in een totaal andere wereld.

Hebben we er goed aan gedaan naar Gent te gaan? Betaalt onze overstap zich nu eindelijk uit, of is het de domste fout die we hebben kunnen maken in onze ICSI-carrière? Dokter V vond het verstandig om eventuele ontstane embryo’s wat langer te laten wachten tijdens een zogenoemde verlengde cultuur, maar wat als onze embryo’s geen helden maar zachtgekookte eitjes zijn en deze verlengde cultuur niet eens doorstaan? In Tilburg wisten ze de dagen na de bevruchting te overleven, zodat er daadwerkelijk embryo’s waren om terug te plaatsen in mijn baarmoeder. Nu verlengen we dat traject met twee dagen. Nee, dat klinkt niet lang, maar ja, dat is ontzettend lang. Een goed embryo bestaat op dag drie na bevruchting uit zo’n acht cellen, en na vijf dagen is dat vaak al doorgegroeid tot ruim honderd cellen. Ken je dat liedje nog, van die kikkertjes? Of waren het andere dieren? Wat doet het er ook toe, het gaat erom dat er in ieder couplet één kikker of welk dier dan ook het loodje legt. ‘En toen waren er nog maar twee.’ Het is gewoon een ordinaire afvalrace, en de sterkste blijft over.

Ik dwaal af, weg van de kinderliedjes en terug naar de realiteit in de wachtkamer, boven inhet Belgische ziekenhuis. Ik voel de spanning in deze grijs met groene, klinische omgeving, waar we samen met nog andere verminderd vruchtbare mannen en vrouwen de minuten wegkijken. Tot overmaat van ramp hup ik van mijn linker- naar mijn rechterbeen en ik moet me inhouden niet in mijn broek te plassen. Mijn blaas moet zo vol mogelijk zijn, zodat baby Van Loon – als die nog leeft – zich makkelijk een weg kan banen van het slangetje, door mijn baarmoederhals richting de baarmoeder, waar het in het gunstigste geval voor de komende negen maanden een nestje bouwt.

Mijn hoofd is een warboel: ik ben positief, dan zie ik het weer niet zitten en daarna weet ik zeker dat dokter V een kleintje over heeft weten te houden voor ons. Dan denk ik terug aan de vorige klotebehandelingen en aan de laatste keer, toen ik als een gek had zitten broeden en het wist te schoppen tot zeven embryo’s. Nog geen seconde later ga ik terug naar het moment dat ik de brief open en daar zwart op wit lees dat ze van al deze mogelijke mensjes maar liefst nul procent in hebben kunnen vriezen. De moed zakt me in de schoenen. Waarom zou er nu wel wat over zijn gebleven? De deur van de behandelkamer gaat open. ‘Meneer en mevrouw K?’

Ze roepen niet ons, maar een ander stel naar binnen. Ja joh, kan er ook nog wel bij. Ik bijt op mijn tanden om de wachtkamer niet te vervuilen met mijn warme gele vloeistof, en uiteindelijk is daar dan dokter V die me verzoekt naar binnen te komen. Ik probeer iets af te lezen aan haar gezicht, maar haar pokerface verraadt niets. Gelukkig is ze als we binnen zijn weer die hartelijke jonge arts die me vanaf haar stoel lachend aankijkt. ‘Het is goed gegaan, mevrouw Van Loon. Van de vijf embryo’s die ontstaan zijn na de punctie hebben we er drie over.’ Drie hele embryo’s, na vijf dagen. Ik kan haar wel zoenen, ik wil haar vastpakken en een knuffel geven. Ik houd me in, knijp in Jans hand en ben zo blij. Dokter V pakt er een fotoserie bij.

‘Dit embryo is de winnaar, de beste van allemaal. Deze bestaat uit meer dan honderd cellen en is van goede kwaliteit, we noemen dit een embryo in de blastocystfase. Je ziet hier al goed de kiem van het embryo en dat wat de moederkoek wordt. En dan hebben we nog zo’n kanjer, die weliswaar wat achterloopt op ons kampioentje, maar ook al bestaat uit ruim honderd cellen.’ Ik vind het meer lijken op een maanlandschap, maar spreek dat niet hardop uit om ons kind in wording niet te kwetsen met deze vergelijking. Nummer drie ziet er wat minder goed uit, het is dan ook de vraag of hij of zij het gaat redden. Ik ben dolblij met deze uitslag. Vanmiddag krijg ik via sms bericht of nummer drie nog leeft of niet en of ze hem of haar in hebben kunnen vriezen. Ja, onze kinderen worden ingevroren. Althans, dat is de bedoeling. Het is een maf idee, dat we straks thuis zijn en weten dat daar een klein iets ligt te wachten. Dokter V gaat door met haar verhaal en laat me ontwaken uit mijn gedachten.

‘Wilt u er een of twee teruggeplaatst zien?’ vraagt ze. Het moment waarop we allebei stilvallen om vervolgens met een ander antwoord te komen. ‘Twee’, zeg ik resoluut. Jan kijkt me niet-begrijpend aan en gaat voor één. We kibbelen en worden het maar niet eens. Waarom zouden we niet voor twee gaan, ik heb geen zin om nog een keer embryo’s te verspillen. Een tweeling is natuurlijk heftig, maar meer dan welkom. Bovendien betekent een tweeling dat ik niet nog een keer de hele ellende van hormoonspuiten, puncties en terugplaatsingen hoef te doorstaan als het allemaal lukt. Jan gaat niet overstag en dokter V snapt dat we er zo niet uitkomen. Dat is ook wat, ruzie op het moment waarop ik misschien wel zwanger word.

‘Willen jullie misschien een toerke wandelen door het ziekenhuis?’ vraagt ze op z’n Vlaams. Jan probeert me nog maals te overtuigen en laat er zijn berekeningen op los. Plaatsen we er eentje terug? Dan hebben we ruim 40 procent kans om zwanger te worden, gezien mijn leeftijd en de fase waarin ons embryo zich nu verkeert. Het is vrijwel zeker dat ze het andere embryo in kunnen vriezen en voor 90 procent is het zeker dat deze ook goed ontdooit. Dat betekent een back up. Dan heb je twee keer 40 procent kans en als we er twee terug laten zetten heb je dan misschien 48 procent kans. Dat is inderdaad meer, maar dat impliceert geen back up. Ik ben het er nog niet helemaal mee eens, maar toch geef ik me gewonnen.

Het zal wel, er zit wat in. Terwijl ik nog wat loop te mokken mag ik plaatsnemen op de behandelstoel. Dokter V opent een luik en daar is ons kind. Opnieuw ergens verstopt in een slangetje. Check – check – dubbel check. Ja, dit kind is van ons. Het zou toch wat zijn: als dit aanslaat en over negen maanden komt daar plots een klein zwartharig baby’tje met spleetogen tevoorschijn. Mijn blaas is voller dan vol en ik zie het slangetje in mijn baarmoeder verdwijnen. In Tilburg heb ik daar niet eerder van gehoord, die volle blaas. Ook is daar trouwens niet gesproken over drie tot vijf dagen geen seksuele activiteiten voor de punctie of terugplaatsing. Hup, daar gaat een luchtbel voorbij mijn blaas, zie ik op het scherm. Kleine frummel zit warm in mijn buik. O, wat ga ik goed voor jou zorgen.

M’n blik dwaalt af
ik denk aan jou
Ik heb je al zo vaak gezien
in mijn droom

Ik vraag me af
waar ben je nou
Als jij eens wist
wat ik je zeggen wou

Blijf bij mij
Na zoveel goeds
kan ik je niet meer laten gaan
Blijf bij mij
Een mooier lot bestaat niet
dus ik vraag je blijf bij mij

Paul de Leeuw & Ruth Jacott – Blijf bij mij

Over twaalf dagen weet ik of ik zwanger ben. Vanmiddag rijd ik weer naar de kapel en daarna stort ik me weer op mijn werk. Ik brand weer – hoe pathetisch dat misschien ook klinkt – een kaarsje. Een kaarsje voor mezelf. Voor Jan en mij. Voor ons kind. Dit keer gaat het lukken. Dit is een winnaar, kleintje Van Loon is sterk en blijft voor altijd bij ons.

Leave a reply